5-3-2016 Joris van Ooijen in gesprek met oud rechercheur Steef van Keulen

“Geen kunstjes in het verhoor maar de Kunst van het Verhoor”

F010Steef van Keulen werd geboren in 1945 in Wolphaartsdijk in Zeeland. Die lokatie was min of meer toevallig want zijn moeder was daarheen geëvacueerd aangezien Walcheren, waar het gezin woonde, onder water was gezet door de Engelsen. De vader van Steef was eerder in 1945 gesneuveld, voor zijn geboorte dus. Uiteindelijk verhuisde hij met zijn moeder en drie broers terug naar het familiehuis in Walcheren. Een uitzonderlijke start van een mensenleven. Een leven dat meer dan 40 jaar in het teken zou komen te staan van recherchewerk.

Steef volgde de driejarige versie van de HBS. Zijn moeder vond dat een verstandige keuze omdat het dan niet te lang zou duren om aan het werk te komen. Immers de financiële omstandigheden in een gezin met vier kinderen, zonder een kostwinner in huis, waren niet bijzonder florissant. Dus elke bijdrage was welkom. Steef’s loopbaan begon bij de Amsterdamse bank, maar op een of andere manier werd Steef aangetrokken door het idee van een baan in uniform. Wat hem opviel was dat politieagenten altijd zo streng keken. Hij dacht dan bij zichzelf: waar is dat voor nodig. Zou dat niet wat menselijker kunnen. Het zijn ten slotte dienders, die zouden zich toch eigenlijk dienstbaar op mogen stellen. Dienstbaar naar de maatschappij. En Steef kwam bij de politie en werd rechercheur. Als rechercheur voer je veel gesprekken, daar hebben wij als leken zo onze ideeën over. Maar kloppen die?

Wat is dat een goed recherche gesprek?

Ik vraag Steef wat in zijn ogen eigenlijk een goed recherche gesprek is en waar dat aan moet voldoen. Steef: ‘een goed gesprek is voornamelijk de ander de ruimte geven om te vertellen. Daar ben ik mij in mijn loopbaan sterk van bewust geworden. Als je de ander laat vertellen komen hun motieven en standpunten vrij naar boven, de ander voelt zich dan gehoord. Als je iemand de kans geeft om zich te uiten dan krijg je een goed gesprek. Luisteren is dus essentieel.’

Open vragen stellen

‘Goed luisteren betekent ook de juiste vragen stellen. Dus heel open vragen stellen, extreem open vragen. Dus niks in de vraag leggen, geen mening geen veronderstelling. Vragen alleen is natuurlijk niet genoeg, echt luisteren dat is enorm belangrijk. Je moet nieuwsgierig zijn en oprechte interesse tonen .’ Ik vraag Steef of vragenstellen in het recherchewerk niet altijd een doel heeft, is het niet zo dat je altijd een bekentenis los wil krijgen? ‘Nee, in een goed recherchegesprek attaqueer je je gesprekspartner niet onmiddellijk wanneer er iets verkeerds gezegd wordt. Natuurlijk hebben we een doel in een recherchegesprek, maar het blijft belangrijk dat de ander zijn verhaal kan doen en ook echt gehoord wordt. Daar geef je de ruimte voor’. Ik heb als leek weleens de indruk, kijkend naar series op televisie, dat een bekentenis het enige is waar een politieman in een gesprek op uit is.

Steef ziet dat anders. ‘Een bekentenis kan ook een valse bekentenis zijn. Daarom is het in een recherchegesprek van het allergrootste belang dat je mensen hoort zonder zelf ook maar enige informatie in het gesprek te brengen. Zodra je gericht gaat vragen geef je ongemerkt informatie, dat kan een onderzoek juridisch zwak maken. Je bent in zo’n gesprek op zoek naar daderwetenschap. Daderwetenschap zijn feiten die enkel en alleen bij de dader bekend kunnen zijn. Dus informatie die wij uit onderzoek van de plaats delict hebben. Als een verdachte dit soort informatie in een gesprek uit eigen beweging aan de orde laat komen dan legt dat een verband met het misdrijf. Een verhoor moet je daarom altijd goed voorbereiden.

Het geheugen als valkuil

‘Een valkuil kan ook het vermengen van herinneringen zijn. Een kind is wat dat betreft de beste getuige, is minder belast met allerlei verwarrende herinneringen en associaties. Hoe ouder een getuige, hoe meer herinneringen er zijn. We deden op de rechercheschool vaak een oefening met een video waarvan men de beelden moest onthouden. Men zag bijvoorbeeld een persoon bij een bushalte staan. Als we dan later aan een cursist vroegen om die bushalte te beschrijven dan kregen we een afwijkend verhaal Iemand beschreef dat het om een abri ging, zo’n bushokje. Daar was hij zeker van. Dan vroegen we of hij die bushalte kon tekenen. En dan tekende hij inderdaad zo’n bushokje. Als we dan het filmpje terug lieten zien bleek dat het niet meer dan een paal met een informatiebordje was. De associatie die deze man met een bushalte had was nu eenmaal verbonden met een abri. Mensen koppelen dan een beeld uit hun geheugen aan de verkeerde situatie’.

Is er een gesprek uit die tijd waarin je het gevoel had dat je er compleet naast zat?

‘Inderdaad dat weet ik nog goed. Je moet bijvoorbeeld geen dingen zeggen die je denkt te weten en in gaan vullen. Je moet dus nooit informatie aanreiken. Ik moest een jongen aanhouden die werd verdacht van inbraken in sportkantines. Hij had daar eerder voor gezeten en deze inbraken waren op precies dezelfde manier gepleegd, vandaar dat hij verdacht werd. Bij een van de inbraken waren een heleboel losse guldens gehaald uit een automaat. Bij zijn aanhouding troffen we een hele zak met guldens aan. In mijn verhoren ging ik er vanuit dat dat de gestolen guldens waren. Maar dat was dus een verkeerde veronderstelling bleek later. Aannames bij de rechercheur zijn dus gevaarlijk in het proces. Het verhaal moet uit de verdachte zelf komen, zonder suggesties. Je mag in een gesprek niet sturen’. Niet het zogenaamde ondervragen, het luisteren en laten vertellen is belangrijk, zo benadrukt hij.

Ik vraag Steef of de gesprekken die hij later als hoofd opleidingen op de rechercheschool voerde anders waren dan in de praktijk. ‘Nee, niet echt. Maar nu ging het erom anderen in deze gesprekshouding te trainen. Niet door ze te sturen, maar juist door ze te laten ervaren. Het bespreken van casuïstiek bijvoorbeeld. Je moet dus geen dingen gaan verkondigen, maar de cursisten zelf laten ontdekken’. Steef praat liever over kennis overbrengen dan over mensen iets leren. ‘Je moet mensen niet vertellen hoe of wat, ze moeten het zichzelf eigen maken. Daarom werkten we zoveel met casuïstiek. En veel vragen aan de cursisten. Hoe zou jij dat aanpakken, wat zou jij in dit geval doen? Op die manier vergroot je het inzicht. En vergeet niet, de cursisten waren allemaal mensen uit de praktijk, die hadden ervaring. Bij aanvang van elke nieuwe cursus schreef ik een boodschap op het bord, dat was zeg maar mijn persoonlijke lijfspreuk: geen kunstjes in het verhoor maar de Kunst van het Verhoor’.